Tussen Spuistraat en Singel, vlak tegenover de Romeinsarmsteeg aan de overkant, loopt een onooglijk smal steegje, waar nu niemand meer woont. Het gaat om wat ooit Groote Kruissteeg heette en aan het einde van de zeventiende eeuw werd omgedoopt tot Schoorsteenvegerssteeg. Er hebben acht panden gestaan, aan iedere kant vier, waarvan een groot deel was bewoond door een Italiaanse schoorsteenvegerspatroon, zijn knechten en een Hollandse huishoudster.
P.W. Vitali (1886-1971), één van de laatste en bekendste Italiaanse schoorsteenvegers van Amsterdam (zijn bedrijf was in de Nieuwe Kerkstraat gevestigd), heeft deze steeg aan zijn geestesoog voor bij laten gaan: 'Je ziet in deze smalle, maar kraakzindelijke steeg de getulemutste dienstbodes, die bij de patroon de bestelling van mevrouw komen al geven. Je ziet de witgeschuurde banken, waarop je na werktijd zo knusjes kon uitrusten en je zat te vermaken met de verhalen die de grote knechts zo smeuig konden doen', en op een andere plaats fantaseert Vitali over een verder verleden: 'Giuseppe, één der laatst aangekomen jongens, tokkelt een 1taliaans wijsje op zijn mandoline. De anderen neuriën of fluiten mee. Het heldere kinderstemmetje van Mario klinkt dreunerig boven allen uit. Zijn guitige zwarte ogen staan droevig. Het is al zo lang geleden dat hij het liedje bij hen thuis had horen zingen. Nu denkt hij aan z'n padre, zijn madre en aan sorella. Zouden ze ook aan hem denken?'
De Italiaanse schoorsteenvegers zijn in Europa vooral beroemd geworden door de kinderarbeid, waarop het ambacht was gebaseerd. Lisa Tetzner heeft in haar onvergetelijke 'Levende Bezems' de hemeltergende omstandigheden beschreven, waaronder de schoorsteenvegertjes in Milaan moesten werken. Maar ook in Amsterdam en in alle andere steden van Nederland werkten de schoorsteenvegersbazen met kleine jongetjes die ze uit hun dorpen meenamen en dat sprak al evenzeer tot de verbeelding. Jan Pieter Heije bezong midden vorige eeuw het treurige lot van de 'arme schoorsteenveger', die 'zijn vaderland niet kon vergeten' en die 'wanneer hij zijn dagwerk had gedaan, vlug naar de vliering kroop met zijn mandoline en zijn marmot en een Savoyaardsch deuntje speelde. En dan werd het hem zoo wonderlijk wel en wee om het hart, dat de kop van het diertje nat werd van tranen'.
De schoorsteenvegers in Nederland vertellen elkaar graag het verhaal van de tengere jongens van 10, 11 jaar oud, die vroeger werden gebruikt om door de schoorsteen te kruipen. Mevrouw stond dan buiten in de tuin om zich ervan te vergewissen dat zijn kopje boven de schoorsteen uit kwam. Een aangrijpende geschiedenis misschien, maar in werkelijkheid kon een kind — behalve in een enkel landhuis, of in een fabrieksschoorsteen — even slecht door het rookafvoerkanaal naar boven klimmen als Zwarte Piet erdoor naar beneden kan komen afzakken. Schoorstenen horen bij stenen stadshuizen en volgens Zantkuyl waren die echt te smal om erdoorheen te kunnen gaan. Dat geldt zeker vanaf het moment dat steenkool de vroegere turf en houtblokken als brandstof gaat vervangen.
De ware reden van deze exploitatie van kinderen is dat de Italiaanse en Zwitserse bazen er zeer goedkope arbeidskrachten aan hadden. Vanaf het moment dat ze naar Nederland kwamen (zeventiende eeuw) zagen ze kans om de Nederlandse schoorsteenvegers en onderhoudsreparateurs (rookverdrijvers) uit de markt te concurreren en in de achttiende en negentiende eeuw bezaten ze in heel Nederland vrijwel een monopolie. Het gaat hier om mensen die afkomstig waren uit een Noorditaliaans dal in Piemonte, het Valle Vigezzo, plaatselijk bijgenaamd: het schoorsteenvegersdal, en verder om Zwitsers uit het kanton Tessino, uit de dalen Centovalli en Valle Maggia, die aan het Italiaanse herkomstgebied grenzen. Wie een bezoek brengt aan deze dalen vindt allerlei sporen van de emigratie naar Nederland terug: grafstenen met Nederlandse teksten; een deel van de kerk, dat door schoorsteenvegers in Nederland is geschonken; en in het Zwitserse dorp Cavergno woont warempel nog een grijsaard die enig Nederlands spreekt. Ze vestigden zich door heel Nederland, hoewel de Zwitsers vooral naar de noordelijke provincies Groningen en Friesland trokken en de Italianen oververtegenwoordigd waren in Amsterdam. Hun trek naar Nederland vertoonde het typische patroon van kettingmigratie: de één nam zijn familieleden en dorpsgenoten mee en wanneer die eenmaal redelijk waren terechtgekomen, moedigden ze andere streekgenoten aan hun voorbeeld te volgen. |
|