Inderdaad was er sprake van verschuivingen in het aanbod van dienstbodes. Ook de fabrieken trokken veel vrouwen en meisjes die anders wellicht een huishoudelijke betrekking hadden gekozen. Men verdiende meer en was vrijer op de fabriek.
Wel schijnt een ‘dienstje’ onder arbeiders zelf meer prestige te hebben gehad dan fabrieksarbeid.
Ook de angst voor onzedelijkheid, waarmee fabriekswerk vaak werd geassocieerd, bracht ouders ertoe een huishoudelijke betrekking voor hun dochters te prefereren. Bovendien betekende vrije kost en inwoning voor veel meisjes uit grote, soms slecht gevoede en vaak klein behuisde gezinnen, een uitkomst.
“Toen ik twintig was wou ik voor de dag en nacht in betrekking gaan, omdat ik ... nou ja ... de ruimte thuis werd ook kleiner. ... natuurlijk ... De kinderen werden groter. Dus toen ben ik voor dag en nacht in betrekking gegaan.”
|